Aan het roer: de grondwet en economie als AKP's hoofdpijndossiers

10 november – Iets meer dan een week geleden kreeg de AKP, de partij van president Erdoğan en premier Davutoğlu, tijdens de laatste ronde van nationale verkiezingen 49,5% van de stemmen en 317 van de 550 zetels en kan aldus wederom eigenhandig een regering gaan vormen. Nu de verbazing en verwondering omtrent de verkiezingsuitslag gedurende afgelopen week iets is afgenomen, is het tijd om de balans op te maken: de AKP heeft gekregen wat het wilde, maar staat eveneens voor zware opgaven: de (eventuele) wijziging van de grondwet, alsmede het uit het slop trekken van de stagnerende economie zijn zeker niet de enige, maar wel twee belangrijke taken in deze. 

“Nu is het tijd om samen een nieuwe grondwet mogelijk te maken”. Het was één van de eerste uitingen van premier Davutoğlu vanuit zijn thuisstad Konya, na de verkiezingsoverwinning vorige week zondag. De huidige grondwet stamt van na de militaire coup van 1980 en op sommige plekken is vernieuwing wenselijk. Het is echter geen geheim dat het voornaamste doel van de AKP de invoering van een systeem is waarbij de president uitvoerende macht heeft, zoals dat het geval is in bijvoorbeeld Rusland, Frankrijk en de Verenigde Staten. Het zou de ultieme bevestiging moeten worden van Recep Tayyip Erdoğan’s macht, niet alleen binnen AKP, maar voor heel Turkije. 
                Dat is echter makkelijk gezegd dan gedaan. Voor het wijzigen van de grondwet zijn er twee paden mogelijk voor de Turkse regering en het parlement. Voor het de meest directe oplossing heeft de Turkse regering 367 van de stemmen in het Turkse parlement nodig: dan kan een grondwetswijziging direct plaatsvinden. Hiervoor komt de AKP precies vijftig zetels tekort. Er lijkt echter niet een reële kans te bestaan dat de AKP nog vijftig aanhangers van dit voorstel gaat vinden bij de concurrerende partijen. Zoals blijkt uit een analyse van de verschillende partijprogramma’s zijn de drie oppositiepartijen CHP, HDP en MHP het ondanks hun aanzienlijke verschillen in ieder geval over één ding eens: een presidentieel systeem in Turkije is niet wenselijk. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat dit pad door de AKP bewandeld zal worden.
                De drempel  van de tweede mogelijkheid tot een grondwetswijziging ligt iets lager. Als de AKP 330 stemmen in het Turkse parlement – een drie-vijfde meerderheid - weet te verzamelen, kan er een referendum uitgeschreven worden, waardoor het Turkse volk mag beslissen over de kwestie. De AKP heeft in de huidige zetelverdeling dus nog 13 stemmen nodig om dit te realiseren. De grote vraag is dus waar zij deze vandaan gaan halen: steun vanuit de CHP en HDP lijkt uitgesloten, waardoor alleen de MHP overblijft. Vanuit deze partij liepen recentelijk nog enkele parlementsleden over naar de AKP, waaronder Tuğrul Türkeş, de zoon van de oprichter van de MHP, maar het overhalen van 13 van de 40 parlementariërs die MHP nu heeft lijkt desondanks een flinke opgave voor de AKP te worden.
                Ervan uitgaande dat dit toch lukt, volgt de tweede stap: een meerderheid van de Turkse bevolking moet vóór een wijziging stemmen. Nu bijna de helft van de Turkse kiezers vorige week hun stem heeft uitgebracht op de AKP, is de kans op een positieve uitkomst voor de partij van de zittende president Erdoğan  zeker aanwezig. Echter, uit opiniepeilingen en het rapport  van onderzoeksbureau IPSOS, gehouden net na de verkiezingen, blijkt dat 57% van de ondervraagden liever het huidige parlementaire systeem behoudt, terwijl 31% juist voor de introductie van een presidentieel systeem is. Hoewel er altijd kritisch moet worden gekeken naar de methodiek achter de resultaten – het aantal respondenten is met 1420 bijvoorbeeld relatief laag – geven de resultaten in ieder geval aan dat het tweede pad geen garantie tot succes biedt.

De discussie omtrent het wijzigen van de grondwet is er een die al een aantal jaren speelt. Dit probleem kan echter volledig opgelost worden op politiek niveau, terwijl dat voor het tweede structurele probleem, de matige staat van de Turkse economie, niet opgaat. 
                De Turkse economie zal ook dit jaar weer groeien, maar er spelen ook andere, structurele factoren die negatiever van aard zijn, zoals de hoge werkloosheid, relatief hoge inflatie, maar voornamelijk ook het tekort op de Turkse handelsbalans. Eenvoudig gezegd importeert Turkije meer dan het exporteert, waarbij vooral de drastische terugloop in de buitenlandse investeringen in Turkije zorgen baart. Uit cijfers van Hürriyet blijkt dat het geschatte tekort voor geheel 2015 op ongeveer 43 miljard dollar (ongeveer 6% van het BBP) zal uitkomen, terwijl dit voor de laatste drie jaar respectievelijk 48,5 miljard (6,2% van BBP), 64,7 miljard (7,9% van BBP) en 46,5 miljard (5,8% van BBP) dollar was. Daarbij komt dat de noodzakelijke buitenlandse investeringen aan het teruglopen zijn: sinds 2013 is de influx van buitenlands kapitaal naar Turkije afgenomen van bijna 72 miljard dollar tot iets meer dan 32 miljard dollar, een daling van meer dan 50%. Om het tekort op de lopende rekening van Turkije te laten afnemen, is een stijging van deze investeringen absoluut een voorwaarde.
                Als redenen voor de drastische afname noemt Hürriyet ‘politieke, economische en geopolitieke risico’s’, die investeerders niet willen lopen. Bloomberg Business haalt het onderzoek van Dave Acemoğlu (MIT) en Murat Ucer (Global Source Partners Inc., Istanbul) aan om te stellen dat het gebrek aan vertrouwen bij buitenlandse bedrijven om in Turkije te investeren is veroorzaakt door de ‘schade’ die de leiders van de AKP hebben berokkend ten aanzien van de ‘politieke, juridische en economische instellingen van Turkije’. Volgens Acemoğlu en Ucer moet de politieke druk op centrale instellingen als de Centrale Bank en Turkse rechtbanken, afkomstig vanuit de AK-partij, worden weggenomen en diepgaande, structurele hervormingen worden doorgevoerd. Naz Masraff, een analist voor Eurasia Group in Londen, voegt hier tegenover Bloomberg aan toe dat de actieve tegenwerking van door de AKP als ‘anti-regeringsgezinde’ (media-)bedrijven eveneens een voorname oorzaak is voor het gebrekkige investeringsklimaat. 
                Dat er hervormingen nodig zijn staat wel vast, maar is de AKP de juiste partij om deze op politiek niveau te realiseren, om zo haar verkiezingsbelofte van hervormingen na te komen? Immers, als we de argumentatie van Acemoğlu en Ucer volgen, is de AKP juist een essentieel onderdeel van het probleem. De AKP heeft er nu de politieke slagkracht voor, maar een groot gedeelte hangt af van de koers die gekozen gaat worden.
                Een belangrijk onderdeel van de aanpak van de economische hervormingen zal de invulling van de hoogste politiek-economische functies binnen de nieuwe Turkse regering zijn. Als Ali Babacan en Mehmet Şimşek, die hun sporen in solide economisch beleid in voorgaande AKP-regeringen hebben verdiend, hierbij worden betrokken, kan dat vertrouwen uitstralen naar buitenlandse investeerders, terwijl het aanstellen van (onbekende) vertrouwelingen van Erdoğan het tegenovergestelde zou kunnen bewerkstelligen. Daarnaast kan een fixatie op het herstellen van de rust in de samenleving, bijvoorbeeld door een de-escalatie van het conflict met de PKK, een voorname rol spelen voor het herstellen van het vertrouwen in de Turkse economie. Maar ook hier is het de vraag of de nieuwe AKP-regering economische boven politieke argumenten zal laten prevaleren.
                De daad bij het woord voegen voor wat betreft economische hervormingen is in ieder geval wat het Turkse bedrijfsleven nodig heeft, getuige de reactie van Güler Sabancı afgelopen week op de Türkiye İnovasyon Haftası (Turkse Innovatie Week) voor een bijeenkomst van Turkse exporteurs: “Er is geen tijd te verliezen. […] We wachten met smart op hervormingen binnen de eerste 100 dagen van deze nieuwe regering.