Turkije haalt Russisch vliegtuig neer, internationale coalitie tegen Daesh/IS lijkt te klappen

25 november – Met het neerhalen van het Russische gevechtsvliegtuig, in de loop van de ochtend van dinsdag 24 november, zijn de internationale verhoudingen tussen de NAVO en Rusland danig op de proef gesteld. Volgens de lezing van Turkije schond de Russische SU-24 het Turkse luchtruim, ondanks dat de Russen volgens de Turken ‘minimaal tien keer’ gewaarschuwd werden in de nabijheid van de Syrisch-Turkse grens. Gedurende de loop van de dag was er nog veel onduidelijk over het voorval, onder meer omtrent het lot van de piloten en dat van de twee Russische helikopters die naar hen op zoek waren. Daarentegen lijkt het duidelijk dat het incident ernstige gevolgen kan hebben voor de Turks-Russische verhoudingen, voor de rol van de NAVO in het gebied en voor het ideaal van een internationale coalitie tegen Daesh/IS. 

Het nieuwe Turkse kabinet bestaat louter uit AKP-politici, geen wonder aangezien Davutoğlu geen coalitiepartner nodig had om een meerderheid te creëren in het Turkse parlement. Het nieuwe kabinet wordt vooral gekenmerkt door loyale bekenden van president Erdoğan en Davutoğlu. Een opvallende afwezige is Ali Babacan. Hij werd lang de ‘economische tsaar’ van Turkije genoemd en oogstte lof in binnen- en buitenland, zowel als vice-premier (2009-2015, onder Davutoğlu) en als minister (2002-2007, onder Erdoğan) van Economische Zaken, maar is desondanks geen onderdeel van het nieuwe kabinet. Sommigen schrijven dit toe aan zijn weerstand ten opzichte van de wensen van Erdoğan, terwijl anderen benadrukken dat er misschien een andere belangrijke post voor hem in het verschiet ligt.
                Aan de andere kant is Tuğrul Türkeş, voormalig MHP-lid, zoon van MHP-oprichter Alparslan Türkeş en recentelijk overgestapt naar de AKP, tot één van de vice-premiers van premier Davutoğlu benoemd. President Erdoğan’s schoonzoon, Berat Albayrak, is de nieuwe minister van Energie en Natuurlijke Bronnen. Er werden twee vrouwen in het kabinet benoemd: Fatma Güldemet Sarı en Sema Ramazanoğlu, respectivelijk als minister van Milieu en Stadsontwikkeling en minister van Familie en Sociale Zaken. De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken is een oude bekende: Mevlut Cavuşoğlu, die ook in het vorige kabinet van Davutoğlu deze functie vervulde. Cavuşoğlu is in dit opzicht niet de enige: tien andere plekken worden eveneens ingevuld door politici die dezelfde functie vervulden in het vorige kabinet van Davutoğlu. Met andere woorden, er lijkt sprake te zijn van een hoge mate van politieke continuïteit.
 
Toch heeft noch  dit nieuwe kabinet, noch  het nieuwe Turkse parlement, tot dusver een positieve invloed gehad op de verslechterende situatie binnen de Turkse rechtsstaat. Aan de lange lijst van gearresteerde journalisten werden vorige week de namen toegevoegd van Can Dündar en Erdem Gül, werkzaam bij de oppositiekrant Cumhuriyet. Ze worden verdacht van het ´onthullen van staatsgeheimen, het lidmaatschap van een terroristische organisatie´. Het past in de trend van de afgelopen maanden dat politiek en justitie met elkaar worden verweven door president Erdoğan: afgelopen juni beschuldigde hij de krant er al van zich met het bespioneren van de staat bezig te houden, waarvoor ze volgens hem ‘een hoge prijs zouden betalen’. In reactie betoogde Dündar dat hij en zijn collega ‘geen verraders, spionnen of helden zijn’, maar ‘simpelweg journalisten’. Een veroordeling van de journalisten zou wederom bewijs zijn van het klimaat van personvrijheid dat in de afgelopen periode hoogtij viert in Turkije.
                Dat de rechtsstaat in Turkije danig onder druk staat, bleek eveneens na de moord op de Koerdische mensenrechten-advocaat Tahir Elçi, tevens voorzitter van de Orde van Advocaten in de zuidoostelijke stad Diyarbakır en kritisch ten aanzien van het zware ingrijpen van de Turkse staat in de regio, alsmede ten aanzien van Koerdische militanten. Rondom zijn moord bestaat veel onduidelijkheid, ondanks het feit dat er filmmateriaal openbaar kwam van vlak voor én vlak na zijn dood. Het achterhalen  van de daders van de moord zal op zich laten wachten, maar er moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de toedracht nooit helemaal boven water zal komen: door aanhoudende ongeregeldheden werd het onderzoek op de plaats delict danig gehinderd, zodat pas drie dagen na de moord het onderzoek ter plaatse afgerond kon worden. Het niet kunnen uitvoeren van forensisch, i.e. gerechtelijk  (voor-)onderzoek is  op termijn voor elke rechtsstaat een bedreiging zonder weerga.
                In de Turkse politieke arena zorgde het incident dan ook voor hevige onrust. Scherpe woordenwisselingen volgden tussen HDP-leider Demirtaş en premier Davutoğlu: de eerste stelde dat de kogel werd afgevuurd door de politie, Davutoğlu echter veroordeelde de uitspraak van Demirtaş en noemde deze ‘opruiende woorden’ een manier om de ‘ware toedracht naar de achtergrond te verdrijven’. Ondertussen werd een motie voor een parlementair onderzoek naar de moord, ingediend door de HDP, in een verhit debat verworpen door een meerderheid van AKP- en MHP-parlementariërs. Wat de gevolgen hier ook van zijn, het lijkt duidelijk dat de moord op Elçi, het onvermogen om dit gezamenlijk te veroordelen en tot een diepgravend onderzoek te komen, een verdere afbrokkeling van de Turkse rechtsstaat betekent.

Analyses Turkije Instituut

Het Turkije Instituut publiceert regelmatig analyses over de actualiteit in Turkije