Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

Religie en Recht

Naast de grootvizier zaten in de raad de viziers, die verantwoordelijk waren voor politieke en militaire zaken, de militaire rechters (“kadıasker”), de schatbewaarders (“defterdar”) en de zegelbewaarder (“nişancı”). Vóór 1453 waren de meeste viziers vrijgeboren moslims van Turkse komaf, maar na 1453 vormden islamitisch-Turkse viziers de uitzondering. Tussen de troonsbestijging van Mehmet II (1451) en die van Süleyman I (1520) waren veel viziers nakomelingen van voormalig christelijke dynastieën op de Balkan. Door deze mannen te benoemen op de hoogste posten in de regering, assimileerden de sultans de voormalig heersende families van de Balkan in de Osmaanse elite.

In de zestiende eeuw waren de viziers merendeels afkomstig uit de Inzameling. Na hun opleiding in het paleis werden ze benoemd als gouverneur in de provincie  en konden daarna benoemd worden in de keizerlijke raad. In de zestiende eeuw werden de allerhoogste posities in het rijk dus bekleed door mannen die waren geboren in de meest eenvoudige boerengezinnen op de Balkan. Door slaven, die geen banden hadden met provinciale machthebbers, te benoemen op de hoogste posten, vergrootte de sultan zijn machtspositie. De overige posten in de keizerlijke raad werden in de regel wél bezet door Turkse moslims.

De raad behandelde buitenlandse zaken, verleende audiëntie aan ambassadeurs, correspondeerde met buitenlandse vorsten, coördineerde de voorbereidingen voor een oorlog, en gaf opdracht tot de bouw van bijvoorbeeld forten of aquaducten in Istanbul en in de provincie. Daarnaast fungeerde de raad als rechtbank voor de militaire klasse en ontving zij petities van individuen van alle lagen van de bevolking.

Voor de organisatie van religie en rechtswezen creëerden de Osmanen een korps van islamgeleerden en rechters die het zogeheten ‘ilmiye’-systeem vormden. De hoogste posities in dit systeem waren de medrese- en rechterpostities in de hoofdstad Istanbul (medrese: theologisch-juridische hogeschool). De allerhoogste rang was de rang van ‘Şeyhülislam’.

De hanafitische rechtsschool van de islam was de officiële doctrine van de Osmaanse Staat. Vaak werden echter in de rechtspraak in de provincie grote concessies gedaan aan het plaatselijk geldend gewoonterecht. Het islamitisch recht was gebaseerd op de hoofdwerken van de hanafitische juristen zoals die in de medrese werden onderwezen. Daarnaast consulteerden de rechters (‘kadı’) voor hun besluiten verzamelingen van fatwa’s (adviezen) van prominente moefti’s (uitleggers van de islamitische wet).

De islamitische wet (‘sharia’) reguleerde de meeste zaken in het dagelijks handelen van  moslims en in veel opzichten ook van niet-moslims in het rijk. Rechtsgebieden waar het islamitische recht niet in voorzag, werden gecodificeerd in zogenaamde ‘kanun-names’. Deze hadden de vorm van verzamelingen van bevelschriften van de sultan. Zij regelden in de eerste plaats vragen over strafrecht, grondbezit en belastingheffing op provincieniveau. Andere kanun-names betroffen specifieke groepen zoals nomaden of janitsaren. De belangrijkste wetboeken werden uitgevaardigd door Sultan Mehmet II, Beyazıt II en Süleyman I.

De islamitische wet verleende daarnaast aan niet-moslims die leefden onder islamitische heerschappij de juridische status van ‘zimmi’. In ruil voor het betalen van een hoofdelijke belasting (‘cizye’) en het accepteren van een ondergeschikte maatschappelijke status, werden de veiligheid en de eigendommen van de zimmi door de islamitische staat gegarandeerd. Zimmi-gemeenschappen onder het Osmaanse bewind waren op grond van religie georganiseerd in zogenaamde ‘millets’. De belangrijkste millets in het Osmaanse Rijk waren de Griekse christenen, de Armeense christenen en de Joden. Binnen bepaalde grenzen was het de millets toegestaan hun eigen regelgeving toe te passen, met name op het gebied van religie en familierecht.

In de Osmaanse samenleving speelden religieuze broederschappen een belangrijke rol. De broederschappen bestreken het hele religieuze spectrum, van de orthodoxe Nakşbendiye-orde tot de vele heterodoxe groepen zoals de Bektaşi’s. In organisatievorm onderscheidden de broederschappen zich sterk van elkaar. Sommige hadden hun centrum in Anatolië, zoals in Konya of in Ankara, maar de meesten waren gezeteld in Istanbul. Het was mogelijk om lid te zijn van meerdere broederschappen en ook was het niet onmogelijk om lidmaatschap van een orde te combineren met een officiële positie in de ilmiye. De staat controleerde de religieuze ordes door middel van het benoemen van sjeiks (leider van een orde).

Blogs

Turkije Instituut sluit zijn deuren
Turkije Instituut sluit zijn deuren
Nieuw Turks kabinet, Turkse rechtsstaat verder onder druk
Turkije haalt Russisch vliegtuig neer, internationale coalitie tegen Daesh/IS lijkt te klappen
Turkije haalt Russisch vliegtuig neer, internationale coalitie tegen Daesh/IS lijkt te klappen
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Voortgangsrapport 2015: EU tikt Turkije op de vingers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Aan het roer: de grondwet en de economie als AKP's hoofdpijndossiers
Lees meer...