Het vroege Osmaanse Rijk, 1300-1683

Het Osmaanse Rijk ontstond rond het jaar 1300 in het noordwesten van Anatolië ten oosten van de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel. Het was een van de vele kleine staatjes die waren ontstaan in Anatolië in de laatste twee decennia van de dertiende eeuw, op grondgebied dat voordien deel had uitgemaakt van het Byzantijnse Rijk. De machthebbers in dit gebied en hun opvolgers waren Turkse moslims, die na de ineenstorting van de Byzantijnse heerschappij en de vestiging van de Seldjoekendynastie Anatolië binnen waren getrokken.
 
De Osmanen veroverden in korte tijd grote delen van het Byzantijnse Rijk en namen in 1453 de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel in. De koninkrijken Bulgarije en Servië waren op dat moment al in handen van de Osmanen. Andere staten, zoals Walachije en Bosnië werden schatplichtig gemaakt en vanaf 1526 viel tweederde van Hongarije onder Osmaanse heerschappij. In het zuidoosten veroverden de Osmanen de provincies Syrië (1516) en Egypte (1517) op de Mamlukken, en stelden zij zichzelf op als de verdedigers van de orthodoxe soennitische islam tegenover de sjiitische Safaviden.  Tot het onsuccesvolle beleg van Wenen in 1683 onder sultan Mehmet IV (r. 1648-1687) bleef het Osmaanse Rijk een nieuwe gebieden veroveren.  Constantinopel  groeide onder Osmaanse heerschappij uit tot de grootste metropool in Europa en het Middellandse Zeegebied.
 
Vanaf het begin van de zestiende eeuw werd de Osmaanse maatschappij volgens het Osmaanse seculiere recht (‘kanun’) onderverdeeld in de ‘askeri’, de militaire klasse, die als dienaren van de sultan een salaris ontvingen, en de ‘reaya’, of onderdanen, die belasting moesten afdragen, en waarvan de overgrote meerderheid landbouwer was. De askeri ontvingen hun salaris ofwel direct uit de schatkist, of, in ruil voor militaire diensten, in de vorm van een leengoed (‘timar’), waarin zij belasting konden heffen. Als slaaf (‘kul’) van de sultan was een Osmaanse staatsdienaar voor zijn hele carrière afhankelijk van de sultan, die hem op elk moment kon promoveren, ontslaan, of zelfs executeren. De macht van de sultan werd echter wel ingeperkt door de machtige positie van de religieuze functionarissen en door het janitsarenkorps (het elite-infanteriekorps), dat zelfs verschillende sultans tot aftreden wist te dwingen. De periode van de regering van Mehmet de Veroveraar (r. 1451-1481) tot en met de regering van Süleyman de Grote (r. 1520-1566) wordt wel gezien als de Osmaanse ‘gouden eeuw’. De periode die daarop volgt, van 1566-1683, was het laatste hoofdstuk in de expansie van het Osmaanse Rijk, waarin consolidatie van macht in veroverde gebieden centraal stond.


1 2 3 4 Last »