Het Turkije Instituut is sinds eind 2015 gesloten. Aanleiding tot dit besluit was het gebrek aan perspectief op nieuwe fondsen, mede in het licht van de ontwikkelingen in Turkije. De website (turkije-instituut.nl) is nog wel toegankelijk als informatiebron. Hierdoor zal althans een deel van de expertise die in de afgelopen acht jaar is opgebouwd behouden blijven.

De Armeense kwestie

De huidige ‘Armeense kwestie’ verwijst naar de onenigheid over de interpretatie van de lotgevallen van de Osmaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).

Talat Paşa (minister van Binnenlandse zaken en een van de leiders van de toenmalige Osmaanse regering) verordonneerde waarschijnlijk in maart 1915 de ‘relocatie’ van de Armeense bevolking vanuit Oost- en Centraal-Anatolïe naar de Syrische woestijn, als een oorlogsmaatregel om de nationale veiligheid te garanderen. In mei begon de feitelijke deportatie en na de zomer volgde de deportatie van Armeniërs uit het westen. In de periode tot de late zomer van 1916 kwamen (naar schatting) tussen 600.000 en 800.000 Armeniërs om. Ze werden het slachtoffer van massale executies, aanvallen door paramilitaire bendes, ziekte en uitputting tijdens soms maandenlange marsen naar het zuiden.

De discussie over de Armeense kwestie spitst zich meestal toe op de vraag, of de deportatie van Osmaanse Armeniërs in 1915-16 kwalificeert als genocide.

Het debat over de Armeense kwestie is uiterst beladen en gepolitiseerd. Niet alleen onder historici is onenigheid over de precieze aard van de gebeurtenissen, ook onder opiniemakers en politici is de kwestie onderwerp geworden van een publiek debat. In Turkije, maar ook door Turken en niet-Turken buiten Turkije, wordt vaak ontstemd gereageerd op wat wordt beschouwd als valse aantijgingen van genocide. Anderzijds lobbyen veel Armeniërs juist voor de officiële erkenning van de genocide door de internationale politiek, zoals het Amerikaanse Congres. Tegelijkertijd zetten bijvoorbeeld politieke tegenstanders van Turkse toetreding tot de EU, Turkije’s ontoegeeflijke standpunt over de kwestie in als een blijk van ongeschiktheid: een land dat zijn eigen geschiedenis niet onder ogen kan zien hoort niet bij Europa, betogen zij. Diverse nationale parlementen hebben de Armeense genocide door middel van een resolutie officieel erkend, tot uitgesproken ongenoegen van de Turkse overheid.

De Armeense kwestie is, zoveel is duidelijk, geen zuiver historische aangelegenheid. Integendeel: het debat over de Armeense kwestie reflecteert niet alleen verschillende opvattingen over de geschiedenis van het Osmaanse Rijk en de Republiek Turkije, maar ook over de relatie tussen Turkije en Europa en de Turkse nationale  identiteit. De betrokkenheid van latere Turkse leiders draagt bij aan de gevoeligheid van de kwestie. Het is daarnaast opvallend dat in het publieke debat de bredere historische context  vaak ontbreekt en het nogal eens schort aan een juist begrip van de term genocide.